“Slachtoffers moeten op ons kunnen rekenen”

De Gambiaanse Fatou Bensouda (1961) is sinds 2004 hoofdaanklager bij het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag. In haar geboorteland bekleedde ze diverse hoge juridische functies en was ze minister van Justitie. Van 2002 tot 2004 werkte ze voor het Rwandatribunaal in Tanzania.

Liever luisteren dan lezen?
Om gebruik te maken van Soundcloud binnen onze website, dien je eerst de cookies te accepteren. Lees meer over ons cookiebeleid

“Mijn rechtvaardigheidsgevoel is diepgeworteld. Als jong meisje nam ik het op voor mijn oudere zus als ze werd gepest door andere kinderen. Ik voelde me verantwoordelijk, en daarom werd ik ook verkozen tot leerlingenvertegenwoordiger op mijn middelbare school. Mijn moeder was een sterke vrouw die ervoor zorgde dat het ons aan niets ontbrak toen mijn vader overleed. Net als mijn vader vond ze dat meisjes en jongens gelijk waren. Dat was destijds uitzonderlijk in onze gemeenschap.

Rechtvaardigheid begint in het gezin.
Fatou Bensouda

Ik geloof dat rechtvaardigheid in het gezin begint, dan breidt die zich uit naar de gemeenschap en uiteindelijk hopelijk over de hele wereld. Tijdens de middelbare school sloop ik de rechtbank binnen om naar vonnissen te luisteren. Ik vond dat slachtoffers van huiselijk geweld meer rechtvaardigheid verdienden. Ik wilde later iets doen voor deze vrouwen en wilde ergens werken waar ik het verschil voor hen zou kunnen maken.

Toen ik later voor het Rwandatribunaal werkte, hoorde ik de meest afschuwelijke verhalen van slachtoffers van seksueel geweld. Ik herinner me een vrouw die als seksslaaf gevangen was gehouden. Ze huilde heel erg toen ze haar verhaal vertelde. Ik maakte excuses omdat we al die moeilijke vragen stelden. Maar ze zei dat ze juist opgelucht was om na al die jaren haar verhaal te doen en dat ze blij was dat er eindelijk mensen naar haar luisterden.

Mijn taak is om daar te gaan waar misdaden zijn en ik de jurisdictie heb om er iets tegen te doen.
Fatou Bensouda

Deze vrouw is me altijd bijgebleven. Haar verhaal sterkte me in mijn geloof dat er meer rechtvaardigheid moet zijn voor slachtoffers van seksueel geweld. In mijn werk bij het Internationaal Strafhof hamer ik hierop; slachtoffers moeten op ons kunnen rekenen. Waar mogelijk onderzoeken wij deze aan seksualiteit en gender gerelateerde zaken en vervolgen we de daders. Zodat zij weten dat ze er niet mee weg komen. Mijn taak is om daar te gaan waar misdaden zijn en ik de jurisdictie heb om er iets tegen te doen. Dit doe ik zonder angst en geheel onafhankelijk. Ik laat me alleen leiden door de wet.”

VN context

Het Internationaal Strafhof (ICC) doet onderzoek naar ernstigste misdrijven, zoals misdaden tegen de menselijkheid en genocide, en zorgt voor berechting van personen die hiervan beschuldigd worden. Het ICC doet dit wanneer het thuisland de misdaden niet kan of wil berechten. Uitgangspunten hierbij zijn dat de rechters onafhankelijk zijn, de rechten van de gedaagden worden gehandhaafd en de stemmen van de slachtoffers worden gehoord. Getuigen hebben bovendien recht op een beschermingsprogramma. Ook worden burgers in het thuisland betrokken bij de rechtsgang, om verzoening te bespoedigen.

Al ruim vijftig jaar werd er in VN-verband naar gestreefd om een internationaal strafhof tot stand te brengen, maar verdeeldheid tussen de VN-lidstaten bemoeilijkte dit. De laatste decennia werden er wel incidentele tribunalen opgezet om oorlogsmisdaden aan de kaak te stellen.

Deze tribunalen hebben de instelling van een permanent hof in een stroomversnelling gebracht. In 1998 rondt een speciale VN-commissie de concepttekst voor de statuten van het Internationaal Strafhof af: het Statuut van Rome. Nadat in 2002 het vereiste aantal van zestig ratificaties is gehaald, kan het ICC van start gaan in Den Haag. Het ICC maakt geen deel uit van de Verenigde Naties, maar werkt er wel nauw mee samen.